den 30 Augustus s’morgens zeer vroeg ging er een geharrewart onder de offercieren om en alles wier seffens op geladen en de paarden in gespannen en weg waren wij; nu zegde zij toch de plaats waar wij een moesten rijden, naar Breny. Ja dat was zoo maar 45 Km veer: De batterie was al weg, want de ketels en alle koffers waren nog niet op de chariot geladen, we moest nog zelf achter brood rijden, naar de statie van Cery en alles was en kosten wij verder. Ik zagde de fourier Turwin een landkaart had, ja zelfs een grooten en meerdere landkaarten: zoo gingen wij naar de stad Soissons. Ik verwonderde mij dat ik zoo weinig soldaten zag, geen Belgische of Fransche en zelfs de boeren zagen ons zoo vreemd aan dat ik niet gerust was: wij kosten nog een kwartier van de stad Soisson geweest hebben of daar stond achter eenen muur van een pachthof een officier, hij was zoo nerveuse en kwam tot ons en zegde dat de Ulanen in Soissons waren. Zij zaten in het postkantoren en de statie. De officier zegde dat wij wel door kosten, maar dat het misschien menschen levens ging kosten. Ja fourier zegde dat wij niet door gingen, maar ik en Franken zegde, dat wij er door gingen, ik had alles tegen Franken verteld wat die barbaren allemaal deden en Franken zegden tegen den fourier als hij niet wilde mede door rijden dat hij dan maar hier moest blijven en stemde natuurlijk in van mede te gaan. De officier zou van voor rijden en ons den weg toonen. Want hij was moedig en gaf ons het voorbeeld. Ja eerst moesten wij een lange straat door die nog al bergaf ging dat onze paarden hun niet veel te vermoeit maakten, dan kwamen wij op eenen boulevard maar wij waren daar nog maar honderd meters op of den Lt. riep geef uwe paarde de sporen, dat wij seffens deden, dat onze paarden begonnen te stijgeren en waren seffens in volle vlucht. Ik hoorde de mitraleuse werken en ging van tak-tak-tak- en zi-z-z-zt; ik en Franken zagen dan L: een zij straat in slagen en wij daar maar achter gehold, want onze paarden liepen goed. Ik zag eens eventjes om en de fourier en Van de Stok met Jaspar lagen op de voetbank uitgestrekt en riepen maar dat wij vlucht moesten rijden. Maar nu kwam de dat aan de hoor, we kwamen aan de statie, daar was het juist een moord, want de Ulanen richten hun machien geweren op de vluchtende menschen en juist kwamen wij in volle vlucht er voor bij. Ik zag Franken zicht tusschen zijne paarden hangen en ik deed dat natuurlijk ook maar bij mij was het gemakkelijker vermits ik den dessel had, daar kost ik mij op neder zetten, ik hoorde fourier en die twee kanoniers weenen van schrik. De kogels vlogen rond onze hooren en ik hoorde Turion en Van de Stok roepen dat ze geblesseerd waren. Franken riep mij toe dat den bareel gesloten was en ik en Franken moesten al doen wat wij kosten om onze paarden in te houden: want we zouden ten pletter gelopen op hebben op den bareel, wij kosten onzen paarden juist toch tegen den bareel in houden. Wij zagen geene Luitenant meer, was hij nu dood of was hij weg ik weet het niet. Hier kwam juist op den schrikkelijk hogen blik eenen trein aangebold en terwijl hij nog rijde, sprongen de Fransche soldaten uit de wagons en begonnen te schieten naar de statie. Op eenen oogwenk krioolde het gansch van roode broeken en was of de wereld verging van tak-tak-tak den trein was nog niet gang stil of al de Fransche soldaten waren in de straten verspreid: wat waren wij toch content dat ik den bareel zag hopen door Fransche soldaten zelf en weg waren wij. Ik zag weldra dat onze betche van de chariot wel 100 gatens in waren geschoten. Turwin en Van de Stock waren er ook goed van af gekomen t’was maar juist het vel van hunnen bil dat wat geblesseerd was. Franken zijn paarden hadden ook hun deel gekregen die werden gebleseerd in den hals dat weinig hinderde: zoo waren wij schoon gered. Die fourier en Jaspar verwenschte ons dat wij er waren door gereden. Zoo waren wij terug op de goede weg naar Breny. Daar wij aan kwamen 8 uren s’avonds want wij kosten op den grooten weg moeilijk door van de vluchtelingen die in zeer groot getal waren, den Comandent wenschte mij en Franken geluk dat wij er door waren geraakt. Nu stond ik een weinig beter in de gratie van den Comendant, die alles vergeten was: Ik en Franken gingen in een klein leeme pachthofje met onze paarden en zoo verzorgde onze paarden goed; want mijn paarden waren verwond aan hunne schouders aan de collée en waschte de blessuren goed uit, en dan kosten wij ons goed ten rusten leggen.