’s Morgens om 5 ure na ons verfrischt en geeten te hebben, trokken wij allen met pak en zak terug naar de stad en sleepten ook vele lieden terug waarvan wij er ook hielpen van onze nogal voorziene voorraadkamer. In de stad gekomen konden wij ons onmiddellijk voorzien van brood aan de bakkerij der Londenstraat, waar vier brooden voor 0,20fr. verkocht werden en wij er acht meenamen. Samen met de familieën Janssens en Van Mirlo begaven wij ons naar het café eener zuster [op de] Door Verstraetenplaats n°2, waren er spoedig t’huis en werd voor een goed middagmaal gezorgd terwijl wij op dienst gingen.

Op onze weg en overal in de stad liep men over het glas van verbrijzelde vensterruiten en spiegels. Op de Groote Markt was weinig verandering, doch ’s namiddags deed het leger voetvolk zijn intrede. Ik zag hen defileeren langs den Mechelsesteenweg, Leopold[straat], Huidevetterstraat, Eiermarkt, op de Groenplaats waar zij zich in vierkant plaatsten in het midden eenige officieren te paard, waarvan een de soldaten toesprak, terwijl de brandende huizen van Schoenmarkt en Groenplaats in puinhopen herschapen werden. Bij hun vertrek aldaar verplichtte een der officieren de burgers het hoofd te ontblooten wanneer een regimentsvlag hen voorbijtrok; menige burger en ook politieagent sloeg hij met den sabel het hoofddeksel af. Toch werden wij ’s anderendaags door den Heer Hoofdcommissaris verwittigd dat de generaal van de bezetting hem zijne verontschuldigingen had aangeboden voor dit feit en bedoelde officier zou gestraft worden.