Tegen den morgend, na een klein [p.6] oponthoud, begon de beschieting nog heviger dan te voren en vielen de bommen ook in den omtrek van ’t stadhuis. Eene bom viel op het huis van den hoedenwinkel Vinck Groote Markt en veroorzaakte brand, die al spoedig kon gebluscht worden door onze agenten. Eene andere viel op het huis van Tobie en Caillau op de Suikerrui waarvan een gedeelte instortte en eene groot rook- en stofwolk verspreidde in den omtrek. Eene derde viel voor den herberg ’t Tafeltje Rond en sloeg eenen grooten put in den straatweg waardoor vele ruiten van ’t stadhuis en omliggende huizen in stukken vlogen.

Rond 6 ure ’s morgens reed de auto weg waarin de h.h. Burgemeester, Franck en de Consul van Spanje plaats namen (ook onze collega [rançois Janssens en twee wielrijders moesten hen vergezellen) om te gaan onderhandelen met de Duitsce legeroversten en de beschieting der stad te doen ophouden, die nutteloos geworden was, daar het leger de versterkte plaats Antwerpen verlaten had. Nog altijd duurde de beschieting voort en vielen en ontploften de bommen in den omtrek van het stadhuis. Rond 8 ure ’s morgens van mijne wacht afgelost zijnde, begon het mij ook zoodanig tegen te steken, dat ik besloot ook te vertrekken om ten minste mijne familie in veiligheid te brengen. Niet zoo spoedig had ik dit besluit aan mijne familie meegedeeld of allen stonden reisvaardig en wij vertrokken naar den noorderkant der stad, gevolgd door de familie Van Mirlo der Groote Markt.

Aan de dokken gekomen waren wij uit het gevaar en geheel verlicht zetten wij ons eenige oogenblikken neer. Alhoewel ik niet zinnens was verder te gaan, waren er onder onze familie die vooruit wilden en wij volgden de karavaan langs de nieuwe dokken naar Eeckeren, waar wij rond den middag aankwamen en onzen intrek namen in eene school. Na ons een weinig opgeschikt te hebben begaf ik mij met mijnen broeder terug op weg om onzen dienst te hernemen en rond 3 ure namiddag op de Groote Markt aangekomen, zagen wij reeds wagens, kanonnen en soldaten van het Duitsche leger gekampeerd. Al spoedig werd ik door den Heer Hoofdcommissaris gelast de gijzelaars te verwittigen en te vergezellen bij de Duitsche overheid op de Gemeenteplaats. De collega Lantem werd gelast de h.h. Gouverneur en senateur Leclef af te halen, terwijl ik de h.h. senateurs Van der Molen, Van Peborgh en De Ramaix * moest vergezellen; deze laatsten niet t’huis gevonden, vergezelde ik eerstgenoemde naar de Gemeenteplaats. Wanneer wij daar aankwamen begon het donker te worden en wij [p.7] werden voor een majoor geleid, die daar aan een de[r] Geuzenhofjes stond bij eene tafel, waarop een bougie brandde om licht te geven. Hier in de hofjes en op de pleinen lagen vele Duitsche soldaten die zongen en tempeesten op harmonica’s en andere muziektuigen. Aan den hoek van de Gemeenteplaats en beide kanten van de Kunstlei stonden vier kanonnen opgesteld met den mond naar het Stadhuis en Groote Markt gericht om op het eerste teeken vuur te geven.

Ik ging terug naar de Groote Markt, die afgesloten was en waar huiszoeking gedaan was in al de omliggende huizen om te zien of er geene soldaten verscholen waren. De Groote Markt was in eene paardenstal en ons schoon stadhuis in eenen beestenstal herschapen; de soldaten hadden er hunnen intrek genomen en lagen er op gelijkvloers, verdiepingen en in de verschillige bureelen. Spoedig kregen wij allerhande bevelen en werden onze inspecteurs en agenten gelast hen te vergezellen, naar alle kanten van de stad en omtrek. Rond 8 uur ’s avonds kon ik huiswaarts keeren en met de agenten Janssens en Demarteau, trok ik naar Eeckeren, waar ook hunne familie verbleef.

In den donkeren nacht en nogmaals te voet in Eeckeren aangekomen, werden wij er door den dokter van de gemeente verzocht eenige inbrekers te verjagen die er in eenen winkel plunderden. Wij trokken er op af en gelukten er in deze bandieten te verjagen, wel gebruik makende van onze sabel; doch terwijl wij daar met den dokter nog eenige oogenblikken vertoefden, hoorden wij in de verte de bende op ons terug afkomen, allerhande bedreigingen tegen ons uitende. Met den blanken sabel trokken wij hen opnieuw tegemoet, doch gelukten er niet in hen in de duisternis te ontdekken. Wij gingen dan naar ons zoogezegd logement waar wij met vreugde ontvangen werden, na eenigen uitleg ons op het stroo ter ruste legden en spoedig insliepen.

*   Leclef en Van Peborgh ondertekenen later het verweerschrift ‘De inneming van Antwerpen’.