Nochtans voel ik mij, ter wille van de waarheid verplicht hier eenige bijzonderheden bij te voegen tijdens mijn verblijf der duitsche soldaten.

Ik keerde dus eindelijk terug huiswaarts nadat ik vernomen had dat mijne vrouw des vrijdags namiddags het stadhuis verlaten had en zij er op zaterdag reeds om 6 ure ’s morgens reeds terug was om inlichtingen te hebben nopens mijnen persoon. Ja, maar voor dit naar huis gaan, een weg van ¾ uurs, had ik nu wel 2 uren nodig.

Op de Groenplaats en op de Schoenmarkt trachtte de brandweer zooveel mogelijk, bij middel van ’t water getrokken uit de Lombaardvest, de branden te blusschen. Op de Eiermarkt werkten brandweer en Duitsche soldaten samen om de brand van het huis (drukkerij) der Gebroeders Bellemans alsook van de chocoladewinkel Kwatta palende aan den achterkant van den Bazar. Brandweer en soldaten zaten op de daken der huizen. Burgers hielpen ook bij dit bluschwerk. Ik had er het genoegen luitenant Basteleer der brandweer aan te treffen. Ik vorderde langs de Huidevetters-, Joden- en Vaartstraten. Hier en daar ontmoette ik lieden, doch enkele maar, soms twee, drie bijeen, die mij angstig aankeken, vooral de vraag ‘Mijnheer, doen zij niets?’, zij bedoelden hier de Duitsche soldaten. Wat kon ik anders doen dan de menschen gerust te stellen, ik had reeds een aantal uren te midden der Duitsche soldaten vertoefd en mij was geen haar op het hoofd gekrenkt.

Op de Rui (Oude Vaartplaats) kwam eene oude vrouw, eene leurster, vergezeld van hare blinde dochter, mij tegemoet, opnieuw herhaalde zich dezelfde vraag. Ik sprak haar eenige woorden van geruststelling toe en onmiddellijk zag ik mij omringd door een twintigtal vrouwen en mannen die als mieren uit de aldaar nog bestaande gangen kwamen leidende naar de zich aldaar bevindende achterhuizen. Na mijn ‘speech improvisé’ scheen ieder tevreden en nog heden als ik langs de Oude Vaartplaats kom en ik ontmoet er enkele van deze lieden groeten zij mij altijd even minzaam. Bij sommige ga ik volgens mij voor een soort – ja wat nu? – profeet? waarzegger? of afgod misschien, door heele brave menschen, wel wat eigenzinnig, soms, zoals iedere Antwerpenaar (ik ben ook te Antwerpen geboren), doch waarvan, zooals nog altijd ook bij iedere Antwerpenaar, alles te verkrijgen is met een vriendelijk woord. Beveelt ons niet! Verzoekt ons en gij zult hebben wat gij verlangt, is hier de leus.

Ik ging dus verder langs de Maria Hendrikalei zoo door het park (Van Eycklei) geen levend wezen te bespeuren. Ja, eindelijk een heer die uit zijne woning kwam, ik herinner mij echter het juiste nummer niet, hij verzocht mij om binnen te treden, een glas wijn te drinken en eene sigaar op te steken. Ik kan zulks moeilijk weigeren nochtans vertoefde ik slechts eenige oogenblikken in het salon, zooals overal werden mij een heel boel vragen gesteld waarop ik zooveel het mij mogelijk was antwoordde. Ik had alle haast om weg te komen. Een weinig verder eene meid die even aan de deur kwam en vriendelijk groette. De menschen waren zeldzaam te zien te krijgen doch hunne vriendelijkheid was buitengewoon. Eene vrouw vroeg om het adres van een dokter daar een gekwetste soldaat ter verpleging in Institut Rachez dood bloedde en geen dokter daar was. Ik vond er geen dan op Zurenborg dokter Van Emelen.

Eindelijk kwam ik aan Sint Jozef kerk. Ik trof er wat verder den zoon Peeters, aannemer, met eenige zijner kinderen, in gesprek met een priester. Wij trokken – mr. Peeters, zijne kinderen en ik – verder naar Zurenborg. Ik zag aan de deur zijner woning (Moretuslei) de drukker-uitgever Buerbaum-Van der Goten. In de Mercatorstraat, hoek Van Diepenbeekstraat, een oude man vergezeld van vier schapershonden. ‘Ik geef deze dieren reeds twee dagen te eten, ik weet niet aan wie zij mogen toehooren’, verklaarde deze ouderling. ‘Zij willen echter niet meer van mij weg’. Eindelijk onder de brug der Zurenborgstraat door, geen sterveling te zien. Ja twee geestelijke zusters die op den stoep der school Groote Beerstraat stonden en eindelijk de meester schoenmaker Roost en eenige andere personen, vier of vijf in getal, die op het einde der Arendstraat tegen de Dageraadplaats een groepje vormden. Opnieuw dezelfde vragen, opnieuw een gansche uitleg.

Ik kwam voor mijne woning, de venster der kelderkeuken stond half open. Ik hield mij natuurlijk zoo kloek mogelijk, een gerucht van stemmen kwam tot mij. Ik vond niet beter om mijne tegenwoordigheid te doen opmerken dan aan te vangen met een deuntje te fluiten. Dadelijk daarop vloog de deur open, mijne vrouw vloog mij rond den hals, mijne schoonmoeder, een door en door braaf mensch, zij hier tot haar eer geschreven die echter eene vijandin van zoenen is, gaf mij twee flinke kussen, terwijl vrouw Van der Wijst die mij misschien reeds dood waande, begon te huilen net als een kind. Mijne dochter, oh gelukkige kinderjaren, en gelukkig tevens voor haar, had zich denkelijk reeds min of meer nopens mijne afwezigheid getroost, zij was in gezelschap van mijn neef Jan Bosschaerts op zoek naar stukken van bommen en wat weet ik ook meer voor hare verzameling zegde zij mij achterna. Ik geloof echter niet dat zij veel vond, want tot heden toe zie ik nog geene herinneringen door haar bijeengebracht. Nu was het een verslagen regel dat ik te doen had, onmiddellijk daarop togen wij naar Borgerhout, De Winterstraat 3, waar mijne schoonzuster Elisa met mijne nichtje Martha en mijne andere schoonzuster Alice nog steeds waren. Onderweg zag ik mijne dochtertje die met meer ernst dan die welk eene botanieker op zoek naar zeldzame planten zou kunnen aan den dag leggen, zocht, zoals ik reeds schreef, naar stukken van bommen en shrapnels. De vreugde dezer ontmoeting was natuurlijk groot. Aan de Herentalsche Vaart vier mannen die palaber hield. Zij hadden het denkelijk over de geweren en pakken kardoezen die met hopen in de vaart lagen. Dan een laatste wederzien bij ‘ons moeder’ thuis. Hier herhaalde zich hetzelfde tooneel en de weinige menschen die daar in den omtrek gebleven waren kwamen mij de hand drukken. Sommigen stonden in bewondering voor mij net alsof ik een held ware. Wij gingen terug naar huis, een beenhouwerswinkel was open op de Coxplein. Wij voorzagen ons van vleesch. Ook hadden wij ons melk kunnen aanschaffen.