Den 28 October kwamen wij 5 en 6 kaison terug aangeland en voor ons verwondering geen munitie bij en onze batterij staal van paarden beroofd zagen wij ze staan aan het dorp Lampernisse vlak voor de kerk op de weiden. Daar lag van alle volk: Belgen, Fransche Zouwaven, Turken, Senegaleezen. Wij moesten met onze 2 kaisons ook op de weide gaan en bivakeeren nu dan schoot den Duitsch eens naar Lampernisse zonder erg gevolg; Ik was juist bezig met mijne paarden juist te kuischen dat ik zag dat er van die Senegalezen veel slagen kregen van een Fransche officier en hij meende het zulle. Ik bezag dien officier, want ik was er zelf kwaad op van zulke dappere soldaten te slagen, ja ik werd bang want dien Fransche officier kwam recht op mij af, en ik dacht die zal vragen waarom ik hem zoo vuil beziet. Hij kwam tot mij en stak zijn hand uitvoor die te drukken; Ik zegde ik ken u toch niet? Neen zegde hij kent ge mij niet meer. Kent ge dan de sergeant niet meer die met u zoo veel geleden en tegengekomen zijt in den retraiter van Namen. Ja waarlijk hij omhelsde mij en al onze soldaten stonden daar te zien gelijk van Godshand geslagen, dat dien officier mij zoo broederlijk omhelsde. Kom zegde hij, daar gaan wij een flesch wijn op drinken daarover in het café. Ja zegde ik daar zijn al de officieren van ons regiment binnen, dat doet er niets toe? Die zijn zooveel niet waard dan wij zegde hij. Nu ik en den Fransche officier arm aan arm kwamen wij het café binnen en gingen aan eene tafel zitten die nog open stond en hij begon zijn geval te vertellen het geen hij tusschen dien tijd al tegen gekomen had. Hij vertelde van de slag van de Marne van Verdun en dan dat hij achteruit moest gaan om een compagnie Senegalezen te komenderen als Luitenant en nu zijn ik hier terug bij u gekomen aan de bloedigen Ijzer en hij vertelde hoe zijne zwarte-bruine soldaten zoo moedig vochten hier haan den Ijzer. Ik vroeg natuurlijk waarom hij dan zoo zijne soldaten met zijne rijzweep in het aangezicht sloeg. Ja zegde hij ik doen dat ook niet gaarne mijn Petit Belge, maar het moet, want met straffen help dat niet en enfin het is het reglement dat is welke straf ze hebben gekregen en dat is zooveele slagen in t’aangezicht of wel op lijf of beenen en handen. Anders zegde mijn vriend zouden ze ons wel aanvallen. Opeens klopt onze Commendant op mijne schouder en vroeg wie die officier was en zegde natuurlijk dat het een serjant was waar ik den aftocht van Namen tusschen de Duitscher mede gedaan had en dat hij nu Luitenant was. Dan begon mijne Fransche vriend alles te vertellen tegen mijne officieren wat wij tegen gekomen waren en hoe wij tusschen de Duitscher er uit gekomen waren; en nu zag ik dat mijne komendant Cattoir tot mij kwam en al het geen hij tegen mij vroeger gezegd had te verschoonen en de officieren gaven mij allen een handdruk. Zoo heb ik met mijne vriend menige glaasjes wijn uitgedronken tot ik niet meer kost en moesten wij onder mijne twee dekens rollen tot s’morgens. Want ik verschoot niet weinig de Duitscher hadden bijna alles platgeschoten en ik had niets gehoord; ik ging terug achter mijne vriend zoeken om zijn adres te vragen, maar hélaas hij was ’s nachts vertrokken met zijne mannen naar eenen andere secteur, Ik heb er nooit iets nog van gehoord dat mij zeer spijte.