Om 4 uur ’s morgens werden broer en zusje gewekt en allen deden wij ons beste pak aan. Als we klaar waren begon het wat licht te worden. In stond aan de deur toen een gebuur kwam  en vroeg: “Trekt U er uit!” Ik riep vader en op het bevestigend antwoord zegde hij: “Dan gaan we ook maar! Hij ging over ons bellen en weldra trok hij eruit met zijn familie. Rond zeven uur kwam de schoonzoon van den heer Van Bergen uit de Saksenstraat afgestapt. Als hij vader zag zegde hij: “Ik kan mijne vrouw niet meer tegenhouden, we moeten gaan. Ik heb hier nog wel een paar natiepaarden en enen wagen staan, doch ik kan niet voeren!” “Jan wij gaan ook want ik kan ze ook niet meer houden!” “hewel kunt gij voeren, dan gaan we samen!” “Ik heb het nog wel niet gedaan, doch in den nood moet men alles kunnen, gaf vader ten antwoord en de koop was gesloten. Was me dit een geluk. We pakken nog wat in, terwijl vader met Jan (Dirickx) de meestergast de paarden inspande en strooi op den wagen legden. Toen men hiermee bezig was, kwamen er nog een man en een vrouw uit de buurt. Al schreiende smeekten zij of wij hunne moeder die lam was wilden meenemen. Mr. Van der Heyden was brutaal en wees ze af doch vader zegde meelijdend, maak U maar gereed wij zullen ze er wel opduwen. Toen begonnen wij op te laden. Van alles eene kist met brood, confituur en een broodmes. Eenige flessen wijn  enz. Vader sloot alles af en gaf den sleutel van de poort aan Jan, die hier bleef. Men legde het oud moederke – een menske van 90 jaar – van achter op kussens en wij reden voort met 21 man. Ik zat op een mand met een blekken doos met de juwelen op de knieën. De anderen zaten op den kant van den wagen, elk met een pak aan de hand. Vader zat van voor met Mejuffer de Bruyn en voerde Mr. Van der Heyden reed vooruit op de fiets terwijl de familiën De Meyer en Bellens van Bouchout met onzen wagen achteraan kwamen. Het was een heerlijken vluchtstoet. Wij reden door de Brederodestraat, waar ene bom gevallen was en kwamen op de Nijverheidslei . Hier moesten wij de handen voor het aangezicht houden voor de hitte! Acht huizen stonden in laaie vlam. Zoo reden wij voort, terwijl de bommen om ons heen sisten. Aan de Gemeenteplaats draaiden wij rechts om en reden door de Carnotstraat. Op het Statieplein lag een dood paard met een soldatentuniek er over en in de Provinciestraat kregen wij hetzelfde te zien. We renden door de Kerkstraat. Immer volgde onze stootwagen gedwee. We stopten even voor St-Willebrorduskerk, daar iemand ergens henen moest. Mej. Louise De Bruyn stapte ook af en zeide : “Ik ga eens bij de ander.” Toen kwam Mr Van der Heyden terug en zegde: “Ze zeggen dat de cementbrug van Merxem gesprongen is dat ger niet over kunt”- “Hoort nog maar eens goed” antwoordde vader ‘als ’t maar waar is!” en wederom was de stoet aan de gang.

Immer hetzelfde gerucht. We moesten langs het slachthuis omrijden. Hier waren reeds veel vluchtelingen verzameld doch wij reden ze allen voorbij en door onze snelheid verloren wij weldra de stootwagen uit het oog. Waar we dan kwamen weet ik niet doch eindelijk na een houten schutsel en hangars voorbij te zijn gereden stonden we voor den weg naar Holland en Eeckeren. Men kon er niet meer door dan stapje voor stapje, zodat wij ’s avonds onder de open lucht zouden moeten slapen bij al dat soort van volk want deftig waren z’ in algemeen niet. Men stal alles wat nog in de wagons stond, als balen kleergoed,  flesschen wijn, jenever, wisky, rhum enz. We besloten dan rechtsomkeer te maken en onder de hangars te wachten bij de vuilniskarren der stad want die stonden er allen, beladen met kinderen en vrouwen op hun paaschbest, waarvan de witte hoeden aan de buitenkramen opgehangen waren. Juist als wij omgedraaid waren verscheen onzen wagen! Juist als  ze wilden doorgaan, riep vader: “Waar is Louise,”  “Wel is die niet bij U?” en allen te gelijk begonnen ze te schreien en riepen: “Maar Heere nu is onze Louise kwijt! “ “Wij gaan terug, zegde dan vader, het is gedaan!”  “Neen, wij gaan maar door antwoordden ze, we hebben een kennis bij die den weg weet! En weg waren ze. Wij stonden nu onder den Hangar. Mr van der Heyden zou naar de stad gaan om te zien hoe het er stond. Hier had men een avond panorama der stad. Men zag O.L.V. toren statig oprijzen tussen vele kolommen zwarten rook! Antwerpen stond in brand. We dronken eene flesch schuimwijn en weldra kwam de fietser terug. Hij zegde met den Stadssecretaris Melis gesproken te hebben die hem zegde dat men aan ‘t parlementeren was. Wij reden dus terug, we hadden Antwerpen niet verlaten! Wij keerden terug langs het stapelhuis toen we zegden Bonne te willen bezoeken, dit werd toegestaan en wij reden triomphant over de Paardenmarkt en door de Venusstraat.  Iedereen die er nog was, stond op staat en vroeg: “Ja wij zijn Duitsch” riep vader dan. In de Gratiekapelstraat bleven wij staan en Jos die van voor zat sprong er af en liep binnen bij Tante Lucia.

Iedereen kwam er aan de deur en weet gij wat? We kregen er nog eens onze zaligheid omdat wij gaan vluchten waren! We reden dan langs de Kathelijnevest , Meir, Wiegstraat en Korte Gasthuisstraat. Op onzen weg zagen wij op de Lombaerdevest het huis van David Teniers branden! We deden onze intrede in de Lange Gasthuistraat, Gerardus Terninckstraat en Verbondstraat. Hier konden wij niet meer door. Het was er nu volop aan ’t branden en de gloeiende balken lagen in ’t midden der straat. We reden door de Tolstraat ,; waar wij het huis zagen waar de eerste bom gevallen was. De Nijverheidslei waar reeds het negende huis in laaie vlam stond, de Brederodestraat en belandden in de Saksenstraat. Hier moest ik mee met de meid van Van Bergen naar het conservenfabriek waar men conserven uitdeelde doch slechts drie doosjes plata waren nog te krijgen. In de Miroeusstraat zagen wij ook den brand en toen ik te huis kwam liepen wij met tante Marie naar de krijgsbakkerij.  We liepen onder en boven hadden eene kist bitterpeeën en peper enz. We waren op ’t eerste toen iemand riep : “Daar zijn de Duitschers” – “Och ’t Is niet waar, riep een andere en toen wij buiten kwamen bemerkten wij op 100 schreden afstands kopere helmen en grijze tunieken. We lieten alles vallen en zagen de eerste Duitschen van achter eenen spoorwegwagon. Pas waren ze voorbij of wij liepen weg. Aan den bareel stond vader, die de Duitschen had zien voorbijgaan met het Belgisch strikje in het knoopsgat. Achter ons kwam mevr. de Leeuw met Josephine en André en voor de eerste maal sinds het bombardement aten wij smakelijk in de veranda. Terwijl wij bezig waren ging de deur open en mijnheer de Leeuw trad binnen . We waren weer alle te samen behalve juffrouw Louise en dronken op de gezondheid van allen en het heil van België en ook opdat wij gauw van de Duitsche dwingelandij mochten verlost zijn. Na het eten legden wij ons te ruste en als we wakker werden was alles weer gelijk vroeger. Des Zondags brachten Mevr. De Meyer en Bellens de stootwagen terug en, eene maand later kwam men zeggen dat Mejuffer De Bruyn welwarend in Bouchout aangekomen was.