En den nacht van 24 tot 25 Januarie om 1 uur kwamen ze ons wakker maken dat wij gereed moesten maken voor naar Front te gaan. Ik zag maar half maar kost toch mijne weg erkennen dat wij het naar Nieuwpoort hadden. Langs de dorpen Coxijde, Oost-Duinkerke, tot Nieuwpoort. Ik zag daar in den donkere vele afgebrande en afgeschoten huizen tot wij aan den ijzerweg kwamen en daar onze positie zetten tegen den hoogte van de ijzerweg van Nieuwpoort-Dixmude. En den Echlon of beter de caison en avondtreins naar den bosch moesten gaan.  Het drijhoekig Bosch genaamd. Het begon al een weinig klaar te worden dat ik zag dat daar veel abris waren waar vele infenterie in zat verborgen. Ja wij wisten niet beter dat wij hier veilig stonden, maar er kwam een Fransche Offercier daar juist aan die zegde tegen den 1e chef Mahien dat het hier geen plaats was voor te schuilen, dat zoo haast het dag zou hebben geweest dat wij zouden beschoten worden. Ja de woorden van den officier waren nog niet koud of Den Duitsch begon daar toch te schieten dat we bijna in ons broek vuiligheid zouden gedaan. En den 1e Chef riep te paard van wij in dat bombardement in volle charge naar Nieuwpoort, Ik denk dat hij ons mij gezien hebben want hij achter volgde ons zoo schoon dat hij telkemale schoot hij een paard of soldat had gedood of geblesseerd. Zoo kwamen wij achter de batterie en den kommandant riep dat wij zoo naar Wulpen moesten rijden en zoo de brug over naar Oost Duinkerke en daar moesten wij wachten tot laater orders. Maar den Duitsch achtervolgde ons tot in oost Duinkerke maar schoot me toch te kort. En den 1e chef zag eene weide die goed tusschen boomen en struikgewasch was omgeven staan en daar gingen we onze plaats nemen, ja het was wel ver van de batterie. Zoo bleven wij daar staan tot 12 uren s’middag dat een cyclist kwam zeggen dat wij terug naar de Panne moesten en de paarden op stal zetten zonder het getuig af te doen om op de eerste orders terug naar Nieuwpoort te snellen. Maar er moesten 2 kaisons daar blijven om munitie aan te brengen en die bleven in Wulpen staan. Zoo kwamen wij in La Panne aan onze paarden leeslijk en wij zelf tot onze kop, want het was een kille regen die viel. Ik wist seffens waar de Fransche naar toe wilde gaan.