Wij Van der Veken Alfons adj. Com.s enz ontvangen van de genaamde Halof Blanche( z.k.) de volgende klacht en de Vlaamsche taal:

“Ik ben danseres van den Franschen schouwburg alhier en aangezeien er geene vertooningen werden gegeven tengevolge van den oorlog heb ik mij aangeboden in de loop der maand September 1914 als meid in de herberg Reyndersstraat n° 45 ; Tengevolge van eene niet overeenstemming omdat ik in haar huis niet wilde blijven tijdens de beschieting der stad , ben ik er niet meer weder gekeerd. Bij mijne terugkomst, ben ik terug naar dit huis gegaan om mijne kleederen en linnen te bekomen. De kleederen werden mij terug gegeven doch het linnen bekwam ik niet zij zegde dat het gestolen werd; ik heb het onmogelijke gedaan om maar iets te bekomen doch telkenmale vruchteloos. Het is mij onmogelijk nu linnen te koopen, gezien de huidige omstandigheden en ik verlang dat mijnen eigendom mij terug gegeven wordt.”

Van den Eynde Anna Caroline( z; k. ) door ons onderhoord, verklaart in de vlaamsche taal:

“Klaagster heeft hare kleederen  terug bekomen, maar ik weet niets aangaande het linnen. Mijne zuster was te huis toen de klaagster hare kleederen is komen halen. Ik weet van niets anders.”

Nadien nauwkeuriger onderhoord, verklaart zij:

“Dit linnen zal men bij mij gestolen hebben  er waren nog hemden , broeken enz bij het vuil waschgoed en dat klaagster toebehoorde, doch ik denk dat zij alles mede genomen heeft . Mijne zuster Van den Eynde Valentine woont in Calmpthout. Waar onbekend.”

Het achtergehouden bestaat uit 5 hemden, 4 broeken, eenige paar kousen, 6 zakdoeken en nog eenigen kleinigheden.

Waarvan akte den 28 Januari 1915