Uitgevoerde plicht.

Ten jare 1915, den 19 November, wij Toch Julius adjunkt commissaris van politie handelend als gevolg aan den kantbrief van den Heer Officier van Openbaar Ministerie bij de politierechtbank te Borgerhout n° 2716/7 in datum van 17 November berichten dat Putzeys Victor, wonende Van Urselstraat n° 34 ons als volgt verklaart:

De gracht nevens mijn huis in de Kroonenburgstraat n° 99 te Deurne lag vol slijk het geen in Juli l.l. eenen verpestende stank veroorzaakte. Verscheidene malen werd den ondraagelijke toe stand aan het Gemeente Bestuur van Deurne gesignaleerd maar men gaf geen gevolg aan ons verzoek, ik heb dan mijnen gast gelast het slijk er uit te steken. Terwijl hij bezig was kwan de kantonier welke bevool het werk te staken en maakt eenen hoop observaties.

Ik antwoorde dat ik gehandeld had in het belang der openbare gezondheid maar ging voort met brutaal te antwoorden en dan heb ik gezegd stommerik als ge niet te lui waard zoud gij het zelf doen.

Mijne vrouw en de knecht hebben dat gesprek wel gehoord maar daar niet op geantwoord, noch zich daar mede bemoeid.

Gyles Alfons (zie bijgaande inlichtingen staat) verklaart:

Mijn baas Putzeys had mij gelast het slijk uit de gracht neven zij huis te graven, terwijl ik daarmee bezig was kwam de kantonier welke mij bevool daarmede te stoppen. Hij maakte een heele boel observaties. Ik weet niet goed meer wat de baas hem geantwoord heeft. Ik heb mij met het gesprek niet gemoeid en madame ook niet.

Van Audenhove Leonie, vrouw Putzeys verklaart:

Wij hadden al dikwijls gevraagd aan de gemeente Deurne den gracht te komen kuisschen. omdat de stank ondragelijk werd had mijn man den knecht daarmede gelast. Ik heb den kantonier niets mis gezegd en zeker niet beledigd.

Waarvan akte, datum als boven.

(get) Toch