Schwartz Antoon Carolus Ludovicus, geboren t/s 9-12-1877, wonende t/s , Herderinstraat 25, dokwerker, beticht met slagen aan zijne wettige vrouw en 2 stiefkinderen.

Getuigen: geene andere dan de stiefdochters vermeld.

Ten jare 1916, den 5 Januari.

Wij Toch Julius , adjunkt commissaris van politie enz., hebben van Hartron Maria, geboren te Sint Niklaas, oud 51 jaar, vrouw Schwartz, de volgende klacht ontvangen:

Mijn man die mij vroeger nog dikwijls mishandeld heeft, heeft mij dezen avond om 5 ½ ure in mijn huis, terwijl ik met hem alleen was met zijn hand in mijn aangezicht geslagen. Mijn twee dochters Virginia en Alice hoorden dit en zijn er tusschen gesprongen. Hij wierp de oudste op straat dat zij met het hoofd tegen de steenen viel en daardoor kneuzingen bekwam, aan den rechter wang. Ons Alice gaf hij eenen vuiststomp in den hals.

Hij had niet gedronken en geen reden om kwaad te zijn. Hij weet zelf niet waarom hij kwaad is. Hij scheldt on uit voor hoeren, dat wij niet deugen. Hij gaat te werk als een zinnelooze. Ik wil zoo met hem niet meer blijven leven en verlang dat hij dezen keer voor mishandeling vervolgd en gestraft worde volgens de wet.

Na voorlezing volhardt klaagster en teekent met ons.

(get) Toch                                                                              (get) Hartron

 

Mutsaers Viginia, geboren op 19-1-1889,werkvrouw, wonende Herderinstraat 25 verklaart:

Ik kwan ’t huis van het Comiteit en hoorde dat mijn stiefvader met mijne moeder aan ’t ruzie maken was. In mijne tegenwoordigheid gaf hij haar eenen slag in het aangezicht. Ik sprong ervóór om te beletten haar nog meer te slagen maar hij wierp mij buiten, dat ik met het hoofd op den borduursteen viel, waardoor ik eene kneuzing opliep aan de wang. Ik heb geen kans gehad om hem eenen slag terug te geven. Ik heb geene getuigen.

Mutsaers Alice 16 ½ jaar, werkmeisje, geboren t/s, wonende Herderinstraat 25 verklaart:

Ik kwam met mijne zuster Virginia van den dop. Vader was eerst mijne moeder aan het schelden, voor al wat slecht is, daarna gaf hij haar eenen slag in het aangezicht. Ik ben er voorgesprongen, hij wierp ons Virginia buiten en terwijl ik haar achterna liep, gaf hij mij eenen slag in den nek.

Schwarts Antoon (zie kant) verklaart:

Ik had woorden met mijne vrouw over eenen frak die gescheurd was, zij heeft wat gezegd en ik ook wat. Ik ging buiten als mijne 2 stiefdochters binnen kwamen. Mijne vrouw werd dan erger als zij hare kinderen zag, nam den pollepel en dreigde er mij mede te slagen. Ons Alice had eene pinscheer in de hand. Ons Virginia gaf mij eerst eenen duw, dan duwde ik haar terug dat zij viel. Ik heb niemand geslagen. Zij maken mij gedurig uit voor schoelie en smeerlap.

De slagen zij niet erg geweest. Virginia Mutsaers had eene kleine kneuzing  aan de rechterwang.

Waarvan akte datum als boven

(get) Toch