Onbekende beticht van beledigingen door geschrift.
Ten jare 1916, den 5 Januari.

Wij Toch Julius, adjunkt commissaris van politie 5e wijk, hebben van De Moor Alice, geboren te Gent 1887, sreveuse, wonende t/s, Offerandestraat n° 40, de volgende klacht ontvangen:

Gister avond (4 Januari 8 ¾ u) heeft eene mij onbekende vrouw eenen brief in onzen gang geworpen welke voor mij bestemd was en alle eerrovende woorden inhoudt alsook eene schimpkaart. Ik denk dat zulks gedaan wordt op opstook van de echtgenooten Van den Bergh-Schins, die over mijne deur wonen en waarmede ik in proces ben wegens scheldwoorden mij toegestuurd.

Verstraeten Josephina, vrouw Claes Jozef, geboren te Sebrinck, werkvrouw, wonende t/s  Offerandestraat 25, verklaart:

De brief en de schimpkaart die gij mij toont heb ik niet geschreven. Ik weet niet wie zulks mag gedaan hebben. Ik ken Alice De Moor goed, zij kwam vroeger wel in de herberg bij ons beneden. Ik ben met haar niet in ruzie.

Wij doen haar eenige woorden op proper papier schrijven onder dictaat ten einde haar geschrift met dat van den brief te kunnen vergelijken. Er zijn vele letters van den brief welke met die van haar wel gelijkenis hebben. Wij durven nochtans geen voordeel vellen.

De echtgenooten Van den Bergh-schins wonende Offerandestraat 25 verklaren die beledigende wx oorden niet geschreven te hebben. Wij zijn ongeleerd, wij weten niet wie dien brief geschreven heeft.

Waarvan akte, datum als boven;

get. J. Toch