PV 319 – Vervulde plicht
Ten jare 1916, den 26 Februari.
Wij Joosten Jan, adjunkt commissaris van politie in gevolgend bijgaanden plichtbrief n° 13435 van 18e dezer vanwege den Heer Prokureur des Konings t/s hebben opvolgenlijk onderhoord:
1° Van Olmen Jan Baptista, geboren t/s den 11-6-1871, wonende t/s Touw str 4, versteller, welke zegt in ’t vlaamsch:
“ Ik heb van die zaak van aanslagen op de eerbaarheid nog niets gezien, doch mijne vrouw heeft mij daarvan reeds gesproken. Een 3 tal maanden geleden heb ik echter eens gehoord, dat mijne dochter Maria bekende aan mijne vrouw, dat hare broeder Jan Hendrick (geboren t/s den 4-10-1896) reeds een 2 tal malen misbruik van haar gemaakt had. Volgens haar spreken verstond ik dan, dat zij daarin toegestaan had, nadien heeft zij dat nogmaals bekend aan Mr Mortelmans, onderwijzer en lid der ‘Kinderbescherming’, wonende Grein str 51 en ook in bijzijn mijner vrouw en ’t mijne.”
Na voorlezing volhardt verklaarder in zijne gezegdens en teekend met ons.
(get) Joosten
2° Van Rompaey Maria Theresia, vrouw van Olmen Jan Bt geboren te Wijneghem den 9-11-1871, wonende t/s Touw str 4, huishoudster, welke in ‘t vlaamsch antwoordt:
“In November 1915 heb ik meermaals bemerkt dat mijne 15 jarige stiefdochter Maria dikwijls naar boven ging op de kamer mijns stiefzoons Jan Hendrick, ik heb echter nooit ietwat gehoord nog gezien, vanwege beiden dat zedekwetsend zou kunnen zijn, of zou kunnen doen vermoeden dat aanslagen op de eerbaarheid vanwege den broer of zijne zuster zouden gepleegd zijn. Mijne dochter heeft zulks nochtans bekend in tegenwoordigheid mijns mans en die van Mr Mortelmans der ‘Kinderbescherming’”
-Na voorlezing volhardt verklaarster in hare getuigenis en tekent met ons
(get) Joosten
3) Van Olmen Maria Catharina, geboren t/s den 14-4-1900, wonende t/s Touwstraat 4, zonder beroep, welke in ‘tvlaamsch zegt:
“Vóór nieuwjaar laatst heeft mijn broeder Jan Hendrick, mij gevraagd, of hij ‘dat’ mocht doen. Hij beloofde mij daartoe 15 centen, die hij mij dan ook gegeven heeft, en ik aannam. Ik ging op dit oogenblik juist slapen, op eene zolderkamer nevens de zijne.
Mijne oudere broer en mijne zuster, waren alsdan nog afwezig. Hij zegde mij dan op zijn bed te gaan liggen, en dan heeft hij zijn ‘pitje’ daarin tussen mijne beenen gestoken. Dat heeft niet lang geduurd en ik heb alsdan geene pijn gehad, nog gebloed, nog er iets anders van gevoeld. Nadien heeft hij mij, dit nog 2 maal gevraagd; en ‘dat’ is dan ook nog 2 maal gebeurd; op dezelfde zolderkamer, en op dezelfde manier. De 2e maal kreeg ik 14; en de 3e maal 17 centen van hem en die ‘centen’ heb ik alle opgesnoept. Mijn broer heeft mij om ‘dat’ te mogen doen, nooit bedreigd, noch geslagen, integendeel heb ik daar altijd terstond in toegestemd, voor de ‘centen’ die hij mij daartoe gaf. Ik heb die feiten aan niemand durven zeggen, omdat ik bang was; en ’t is mijne zuster Mathilde, die het aan mijne moeder gezegd heeft.”
Na voorlezing volhardt de verklaarster in hare verklaring, en teekent met ons.
(get) Joosten
4) Van Olmen Mathilda Joanna, geboren t/s 17-10-1898, er wonende Touwstraat 4, dienstmeid, welke in ’t vlaamsch verklaart:
“Ik heb niet gezien noch betrapt, dat mijn broer Jan Hendrik, vleesbetrekkingen had mijne zuster Maria; en zij heeft mij dit nooit bekend. Op einde December toen een avond, ik en mijn broer laat te huis kwamen, zegde hij mij nog 7 franks te hebben en ge kunt er ‘eenen’ verdienen als ik ‘eens mag’. Dezelfden avond – iet wat later, bij ’t slapen gaan vroeg hij mij dit nog eens zeggende: ge krijgt er 2.
Ik heb telkens geweigerd, en dat aan mijne moeder gezegd, er bijvoegende dat zij Maria moest in’t oog houden, daar zij altijd centen had, en dan heeft mijne zuster later aan mijne moeder bekend.”
Na voorlezing volhardt verklaarster in hare gezegden en teekent met ons.
(get) Joosten
Hierbij ’t inlichtingsbulletijn van ’t meisje inkwestie met op de ommezijde vermelding der straffen der ouders.
Ten slotte doen wij opmerken, dat de klager Van Olmen Jan Hendrik Maria, geboren t/s4-10-1896, den 17e dezernaar ’t gevang t/s word overgebracht, wegens aanhoudingsbevel, om er eene straf van 3 maanden te ondergaan, wegens diefstal.
Waarvan akte
get. Joosten