Afzender: Timperman
Geadresseerde: Télésphore Buyssens

Waarde Overste,

Ik kom U te laten weten, alsdat ik nog altijd in volle gezondheid ben, en hierbij zend ik U mijn portret.

Nu iets anders onzen aftocht van Antwerpen hoe pijnlijk ook, moest toch gebeuren, en als wij nog ¼ uur moesten langer blijven hadden wij in Deutsland gezeten in plaats van in Holland.

Den 3den October waren de eerste lijn forten gevallen, en kwamen 3 divisies van de hoofdlijn Oude God Antwerpen in te nemen, en dezen secteur bestaat uit fort 3 tot fort 5 en 7 redouten. Op den avond van 5 October kregen wij het bezoek van eene divisie infanterie gesteund door veldartillerie en dan daarbij de groote mortieren van 42 en dezen aanval heeft afgeslagen geweest door ons fort 3 rond 9 uur savonds.
Maar den nacht van 8 tot 9 october bombardeerden zij ons fort met wel 30 kanonnen van bijzonder caliber, wij antwoorden maar hélas! Daar kwam een 42 bij mij binnen en ik verloor mijne kanonnen en 6 man, waar ik dan met de rest mijner manschappen door de puinhoop heengekroopen naar eenen weg gaan om het fort te verlaten, maar dan kregen wij bericht in aftocht te trekken.

Maar nu was het nog maar een begin van ons wedervaren van den oorlog. Van fort 3 tot aan de poorten van Antwerpen is het 1 uur gaan en nog wij mochten den steenweg niet nemen aangezien de wegen door de vijand bezet waren en dat ons fort zoo goed als omsingeld was, en al die projectielen die over ons hoofden naar de stad gingen, en dan was een voor ons bestemd die maar zoo 10 à 15 meters van ons ontplofte, zoodat wij omver gesmeten werden door de verplaatsing der lucht.

Maar toch goed in Antwerpen binnen gekomen en zoo lang Vlaamsch hoofd naar Beveren Waes te voet maar daar gekomen moesten wij dan naar St Gillis Waes waar de treinen gereed stonden om naar Ostende te vertrekken daar gekomen niets te vinden, maar men verwittigde ons alsdat de treinen zouden komen. Eindelijk eenen trein, 2 treinen 3 treinen enz. leeg materiaal, daar wij ons ingezet of beter gezegd ons neder gesmeten en eindelijk gaan wij naar Ostende vertrekken.
Maar wat eene teleurstelling als wij vernamen dat alles genomen was door den vijand en dat zij juist den spoorweg in Moerbeke hadden bezet, maar toch nog geen moed verloren, wij vertrokken toch per spoor om in Lacling terecht te komen, nu waren wij in plaats van in Ostende aan de Hollandsche grens.

Nu het was hoog tijd want wij zagen al den vijand op ons aankomen en geheele regimenten liepen de grens over om niet dood of leven in de handen van den vijand te moeten vallen. En wetende alsdat onze kameraden en wapenbroeders gings verder aan het strijden waren, moesten wij onze wapens nederleggen, om niet meer voor den vijand te kunnen verschijnen, onze gevallen broeders niet te kunnen zoeken en niet meer te mogen strijden voor het recht van ons vaderland en onzen Soldaat Koning Albert. Met tranen en het hart vol droefheid hebben wij daar naar eenen depot gezonden geweest in Holland, het is te zeggen in Hulst waar wij daar eten kregen en wat mochten rusten om dan op eenen bussel strooi en onder den blauwen hemel onze afgemate ledematen die geen rust meer hadden genoten van de 5 s’ avond wat te laten uitrusten.

Den 11 sten s’ morgens zijn wij vertrokken naar Terneuzen per spoor en dan naar Vlissingen per boot om dan per ijzerweg naar Amersfoort te worden ingekwartierd in de infanterie kazerne onder tenten die daar voor ons in gereedheid waren gebracht. En zoo hebben wij daar gebleven totdat het kamp van Zeist, die bestaat uit houten barakken van elk 250 manschappen. Het is een dorp van een 20 minuten in de lengte en 7 minuten in de breede het bevat 60 barakken, daarbij eene kerk, werkscholen, vakscholen enfin van alles voorzien om er niet uit te trekken nu ik zal een dezer dagen U nog eenige kaarten opsturen, eene geheele serie, voor te zien wat U er al zooal van denkt van onze schoone woonst in Holland.

In afwachting van eenig nieuws van u te ontvangen noem ik mij gaarne
Uwen onderdaan
Timperman
Geinterneerde onderoff. 21ste B; Ie der plaats Kamp I Barak 30. Zeist.