PV 1415 – Van den Bosch Joanna Maria geboren t/s 27-2-1864 Kne Kauwenberg 32/3, huisvrouw, achterhouden van kleergoed.

Getuigen:

Doms Frans Corneel, geboren te Duffel 23-3-1889 Ankerrui 30, voerman

Van Welde Anna geboren t/s 23-4-1896, Diepestraat 26, cigaretmaakster

Van de Velde Karel geboren t/s 26-8-1884 t/s Steenbergstr 23 kleermaker

Wordt in geen vorig P.V. behandeld.

Gezien en gezonden Prokureur des Konings t/s

Antwerpen 28 december 1916

1916, den 23 december

Wij Geurickx Victor, adjt commissaris 2de wijk, klacht van Dom Frans Corneel die verklaart:

“Ik ben sinds mijn 7 jaar als kind woonachtig geweest bij Maria Van den Bosch, kleine Kauwenberg n° 32/3 ik gaf er wekelijks 16 fr af, had daarvoor kost en slapen en onderhoud van kleergoed. Sinds ongeveer vier maanden ben ik er weg gegaan en liet er nog achter, een gestreepte pardessus, een blauw kostuum, een grijs kostuum en twee gouden ringen, een cachet en eene met drie strassteenen. Het eerste jaar van den oorlog heb ik weinig gewerkt, het tweede jaar wel, en hetgeen ik verdiende en mijn dopgeld gaf ik haar af.

Zij wil mijne kleeren niet geven of zeggen wat ik haar schuldig ben, zij moet zelf van mijn kleeren in den berg gezet hebben. Die twee gouden ringen heb ik van haar gehad en dit was ook in mijn wekelijks loon begrepen, gekocht heb ik dus zelf deze ringen niet, mijne kleeren zij gekocht in een winkel van de steenhouwersvest en er naar mijn lijf gemaakt, nooit betaalde ik zelf mijne kleeren, dit deed Maria Van den Bosch.

Van den Bosch Maria Joanna zegt:

“Dezen jongen heeft bij zijn weggaan niet achter gelaten dan een blauw kostuum, en dit kan hij terug krijgen als hij mij 7 franken geeft voor die som heeft zijne aanhoudster die in den berg gezet en ik  heb dit op zijne vraag gelost met 7 fr die ik daarvoor zelf geleend heb van mijne dochter, doch andere kleeren of ringen heeft hij niet achter gelaten.

Hij heeft 7 of 8 jaar bij mij gewoond en moest 16 fr per week afgeven, doch gaf nooit meer dan 12 fr, hij heeft veel zonder werk geweest, en als ik alles moest rekenen kon hij mij wel 300 fr betalen. Hij heeft geen grijs kostuum gehad maar heeft dit van mijnen zoon al eens mogen aandoen en op die conditie is dit kostuum gemaakt geworden, ik heb van hem geen kleeren in de berg gezet, die ringen heeft hij niet van mij gekregen, den eenen kocht ik over 6 jaar den anderen heb ik van mijne dochter met wekelijkse afkortingen overgenomen, hij heeft die wel gedragen, maar die zijn niet van hem maar wel van mij, want nooit betaald hij er iets voor.”

Van Welde Anna, zegt:

“Ik heb voor den oorlog twee gouden ringen gekocht op wekelijkse afkortingen die ik van mijn loon hield, wat zij met die ringen gedaan heeft weet ik niet.”

Van de Velde Karel, zegt:

“Ik herinner mij voor klager en zoon Van Welde (beticht) elk een grijs kostuum gemaakt te hebben den 12 juli 1914, en voor dezelfde in augustus 1913 elk een blauw kostuum, dit alles op maat gemaakt, doch door Mme Van Welde betaald. Ok heb ik in den loop van, 1913 voor die dame twee pardessus gemaakt, doch ik weet niet of het voor die zelfde jongens was.”

Doms Frans Corneel, terug onderhoord zegt:

“Ik kan nu die 7 fr niet geven, maar zij mag het terug in den berg zetten en mij het briefje geven, ik zal dit zelf dan wel lossen als ik geld heb dan heeft zij haar 7 fr terug, voor het lossen dat zij gedaan heeft.”

Van den Bosch (voornoemd) terug onderhoord zegt:

“Ik beken dit blauw kostuum nog te hebben, waarvoor ik 7 fr betaald heb voor het lossen, dit grijs heb ik ook nog dit had ik laten maken op voorwaarde dat hij goed oppaste en het mij betaalde, zij pardessus is versleten en versukkeld en die twee gouden ringen heb ik in den berg gezet, gij kunt wel denken, dat ik voor 12 fr per week geen eten, slapen, kleeren en gouden ringen kan geven.”

Wij hebben getracht een minnelijke schikking te regelen doch niets is ons gelukt.

P.V. voor den prokureur des Konings t/s

Gesloten op 25 december 1916

(get) Geurickx