Donderdag – Eene ongewone beweging is er in de stad gade te slaan, vooral in de omstreken der beurs.

Rechts en links vernam men reeds dat dezen of genen weggevoerden was terug gekomen. Dat nieuws deed natuurlijk al wie een familielid tusschen de gedeporteerden had, verhopen dat ook hunnen afwezige bij de terugkomenden mocht zijn. Dagelijksch was het een volk van belang aan de groote statie. Vandaag echter kwamen er verschillige groepen terug, maar o wee, hoe zagen de jongens er uit. Vertrokken zoo gezond als eene bloem op een veld en nu terugkomen, afgemat, uitgehongerd en uitgemergeld als een echt geraamte. De grootsten hoop zijn zoo veranderd dat zij niet meer te herkennen zijn en sleepen zich met moeite voort steunend op armen en schouders van vrienden of naastbestaanden. Ik heb er persoonlijk drij gezien welke gedragen werden. Ik mag niet van overdrijving beschuldigd worden. Het is een hartverscheurend iets, den uitslag van dien onmenschelijken maatregel, die allerzins af te keuren deportatie te aanschouwen en met moet een steenen hart hebben om geene tranen van medelijden met de ongelukkigen, van woede tegen den uitvoerder van die onwettige en willekeurige maatregels te voelen opwellen. In de Burgerspijszaal werden een zestigtal van dezer hongerige of letterlijk uitgehongerde magen tevreden gesteld. Die magen moeten zoodanig ontsteld zijn dat verschillige geen krachtig voedsel meer konden verdragen en na het eetmaal krampen kregen welke hunne verzorging in het gasthuis noodzakelijk maakte.