Afzender: Teles Buyssens
Geadresseerde: dear wefke en hartelijke Fen

My dear wefke en zeer hartelijke Fen!

Gansch vermoeid van de werkzaamheden kom ik dus des zaterdags avonds naar huis, hier in Proven, maar zoohaast heeft de “ vriendelijke” vrouw van het pension – u weet, beste Thérèse, dat alle vrouwen vriendelijk zijn tegen mij – me niet gezegd dat er twee “ letters” liggen op mijne slaapkamer, of in eene sprong ben ik op de voute en vind daar uwe twee brieven, volgend op eenen eerste die ik over twee dagen ontvangen heb, en waarlijk de lezing ervan kwikt me geheel en al op. Ik ben tevreden over Fen’s uitslag, zijn briefje is goed aaneengestooten. Ik breng hem dus het prachtige boek mede dat zijn oom voor hem gekocht heeft .

U zegt nu, beste vrouw, dat ik u veel vertel in mijne brieven: wel het is het duizendste paart niet van wat ik u zou kunnen vertellen. Wil ik u nog eens een farceke uiteendoen, dat me overkomen is. Wel ,toen ik heel plechtstatig in Proven mijne, ik zou zeggen blijde, maar het is eer gedwongen intrede deed, wilde het toeval dat ik aan mijne broek eens voelde en o! gruwel er waren twee … gaten in!! Wat nu gedaan? Waar eene nieuwe broek gekregen? En hoe die gaten verdoken? Het was zoo warm dat ik logischerwijze toch mijn zware overjas niet kon aandoen; de zon scheen toch zoo dapper in de lucht, dat een imperméable een vloek zou geweest zijn aan het prachtige weder. Buiten raad heb ik me eenvoudig aan het stoppen gezet en heb anderhalf uur gestopt; het achterste van mijn broek gelijkt zoo aan een matje dat we op den kindertuin vlochten, ik heb al de goden bijeengesakkert en al de duivels verwenscht omdat de saai niet gewillig door de naald wilde, maar heel dikwijls tegenstropte. Maar enfin op den duur ging dat toch: met saai geduld en na het lezen van honderd schietgebedekens en twaalf vaderonskens ben ik er toch toe gekomen de vensterkens dicht te krijgen. Ik heb dan mijne broek goed opgetrokken , tot bekan tegen mijnen hals: ik geleek dan zoowat aan eenen 1sten communikant, en de Provenaars zullen dat heel aardig gevonden hebben, ja, ik vond dat ook heel aardig, maar natuurlijk voor andere redenen dan de Provenaars.

Nogtans had ik nu nog geene nieuwe broek, en ik vreesde terecht dat het achterste stopsel toch ook zou verslijten en dat er terug ruiten zouden verschijnen, waaruit mijn hemd zou te voorschijn komen, en ik wilde nu toch onder geen voorwendsel dat de Provenaars zouden bemerken langs den weg welke de kleur was van mijne hemden. Enfin ik heb al de kleermakers van het dorp schoon gesproken en eindelijk heeft de garde, ja de garde champêtre van Proven me toch eene broek gefabrikeerd. Ze gaat me heel goed; ik heb moeten betalen voor 1 el en ¾ aan 15 frank de el: 26,25 fr. en 5,50 fr. voor het maken en de voering. Enfin ik heb niet anders kunnen doen, mij beste wefke en ik hoop wel dat ik toch geen verwijt zal oploopen, ik heb gedaan om goed te doen. En zoo zijn er nog van die farcekes, maar natuurlijk kosten ze geen geld zooals dit eene. Verontschuldig me ook dat ik tusschen de regels en aan den regel krabbel, want waarlijk ik zit hier op een heel donker kamertje – ik meen het u reeds geschreven te hebben – en heb daar juist het bougieke, het keske aangestoken.

Ik heb ook eenen brief van Hardies ontvangen; hij is “ interpreter” bij het Engelsch leger; hij belooft me zoohaast mogelijk het geld terug te betalen, omdat zijne goed bezoldigde positie hem nu toelaat eenige spaarpenningen weg te leggen.

Wat het verlof betreft, u moogt me dus verwachten van den 13n af, Maandag, maar ik weet niet om welk uur; blijf op tot een uur of twaalf ’s nachts; ben ik dan niet tehuis, ja dan kom ik Dinsdag in den morgend, want ik ben hier op het uiteinde van de beschaafde  wereld, gansch verloren en verzield en kan niet weg als ik wil. Enfin, heb geduld, de stond van onze gemoetkoming is nakend. Ik breng een drietal schoone, groote zakken mede, en ook mijne valiezen, verder de kleederen die ik niet meer draag, en ook mijne ….; onvergetelijke ruitjesbroek!

Optatus heeft me geschreven dat hij u honderd frank gestuurd heeft; juist omdat ik zoo verre verwijderd ben kan ik u geen geld opsturen, en moet u dus mijne gansche pré overhandigen van Augustus bij mijn eerste bezoek: ik zal u dat alles nader uitleggen , en u zult begrijpen dat ik goed gehandeld heb.

Dus in afwachting dat ik u beiden kunne omhelzen, en u verzoekend me mijn gekrabbelsel te verontschuldigen, zoo ontvangt mijne hartelijkste  groetenissen… met een kilo chocolat!

Uw zeer toegenegen Snotneuzelibus! Geerenzienelibus!

Teles Buyssens