Maandag – Ik heb gisteren met een der ingekwartierde soldaten gedurende een paar uren gesproken. Hij was afkomstig van Cassel en scheen eene goede opvoeding genoten te hebben, getuige zijn verlangen om te leeren en te weten. Hij had reeds alle fronten bezocht en daar de groote veldslagen meegemaakt. Hij had een sabelhouw over het voorhoofd gehad, een kogel door de zijde en een bajonetsteek in de knie. Hij was bij den inval in België te Luik, dan te Namen, vandaar voort gezonden naar Oost-Pruisen, de Masuren, de Pripet, had in Galicië medegevochten, was in de Bukuwina, in Macedonië, in Rumenië en Bulgarie, Servië, Albanië en Montenegro, had eenigen tijd in Turkije gezeten en kwam nu van Rousselare en Meenen. Hij vertelde mij zijn wedervaren in die streken en ten getuige der waarheid photographien van zich zelven en van zijn vier broeders op die verschillige plaatsen genomen. Nu was hij te Merxem om uit te rusten en drukte zijn vurig verlangen uit om nu voor eenigen tijd hier te kunnen blijven en wat gerust gelaten te worden, daar hij de verbeestende beslommeringen van dat gedurig over en weder rijden en vechten beu was. Een dezer dagen zou hij nog wel eens wat meer vertellen.