Antwerpsche Courant
25 Januari 1918

PRAATJE VAN EEN SINJOOR

De gemeentebesturen hebben weliswaar van alle paardenreglementen gestemd om de kinderen uit de kinema te houden; ze zijn echter bij mijn weten nog nooit in de kraam geklommen van een eindje verordening, dat den kinderen het bedelen belet. Vooral in den laatsten tijd loopen kleine stumpers van deur tot deur om een aalmoes of boterham te vragen, en ze zetten dan zoo’n deerniswekkende tronie op, dat een scheefgebakerde dromedaris er de kramp van in zijnen bult krijgen zou.

‘k weet het: de tijden zijn hard, en vele kleintjes lijden honger. Maar ze zullen mij toch niet wijsmaken dat kinderen van vijf en zes jaar moeten gaan bedelen, zoomin als ze kunnen aan ’t werk gesteld worden. En, om nu eens haarfijn te weten of het inderdaad wel noodig is dat die sukkelaarkens op ’t schooien uitgezonden worden, heb ik daar iemand over gesproken die lange jaren aan het Weldadigheidsbureel verbonden is en de ellende van Antwerpen van binnen en van buiten kent.

Welnu neen: kinderen moeten, kinderen mogen niet bedelen, en het wordt tijd dat daar eens voorgoed een speld voor gestoken worde. Ik heb over de uitbuiting der kinderen stichtende dingen vernomen.

(…)

Mijn zegsman, die mij deze inlichtingen verstrekte, verzekerde mij, dat men negentig maal op de honderd een slechte daad verricht, wanneer men een aalmoes geeft aan een kind of aan een vrouw, die een kind bij zich heeft. De uitbuiting van die stakkertjes geschied op zulke overgroote schaal, dat ze een schande is voor een stad als deze. Een aalmoes geven is plicht: maar er moet in de allereerste plaats vermeden worden dat de luiheid, de dronkenschap en de hatelijke kinderuitbuiting worden in de hand gewerkt.

–Mus.