Afzender : T. B.
Geadresseerde : Theo

My dear Theo,

Uw brief van den 23n dezer heeft me met verstomming geslaan. Weet u dan niet, beste Theo, dat wij hier onder eenen geheel anderen indruk verkeeren, dat er ons gezegd is geworden, dat de Duinkerksche delegatie gaat afgeschaft , en dat haar personeel naar Calais zal overgeplaatst worden, alzoo uit het zadel lichtend de Kaleesche beambten? Dat ik dus ook zou beschikbaar worden, maar gelukkig voor mij zou men mij in het allerhoogste bureel oppikken en me daar bergen als in eene veilige haven.

Zulke vooruitzichten zijn dus gladweg omgekeerd van wat u me schijnt voor te houden.

Maar of ik eenen adjunct  noodig heb? Wel, Theo, heel zeker. Denk niet dat het eenen sinecure is. Er gaat geene week voorbij of ik heb enkele  enkwesten door te drijven, rechts en links, soms ingewikkelde opzoekingen te doen, en ik mag u ronduit bekennen: ik heb goed mijne handen vol. Dikwijls werk ik tot heel laat in den avond ten huize aan het opstellen van rapportjes; en ook Liedel moet meer sleuren dan hij trekken kan.

En of het me dan een genoegen zou doen u als adjunct  te hebben?  Wel de vraag was al opgelost vóór ge ze me gesteld hadt. Ik wil u niet herinneren aan mijne talrijke vriendschapsuitingen ten uwen opzichte, maar heb ik al ooit eene belofte niet volbracht? Dus ik verwacht u met open armen en ben u, desgevallend, behulpzaam zooveel ge maar verlangt.

Mijne gezondheid is opperbest; ook mijne vrouw is welvarend en mijn zoontje werkt goed op het Gemeentecollege. Onnoodig te zeggen hoe overgelukkig ik me gevoel.

Ik had ook van Michaux vernomen dat ge geheel hersteld zijt: dat heeft me veel genoegen gedaan.

Ik laat me zien zaterdag den 9n en zorg voor een plaatsje: rug naar het machien, in den hoek tegen het venster…

In vurige afwachting!

Beste groetenissen, hartelijksten handdruk, ook van mijne vrouw aan u en aan Michaux en aan de andere ambtenaren en bedienden.

Uw immer verkleefde,

T. B.

P.S. Heb mijn loon voor Februari ontvangen. Schrijf  hierover aan Michaux.