Afzender: T.B.
Geadresseerde: Schoeters

Calais, den 16n april 1918

Mijn beste vriend Schoeters,

Ik ben zeker dat hoogrechter Salomo zich nooit vóór erger problemen heeft bevonden. U weet toch, Albrecht, dat een oordeel slechts op ervaring kan en mag berusten? Hoe wilt u nu dat na 5 maand afwezigheid van het front en in de volledigste onwetendheid nopens de nieuwe bepalingen getroffen tusschen militairen en ijzerenwegbedienden (halfburgers dus) op het gebied van ongehoorzaamheid, ik u raad kunne verstrekken in het netelige geval, waarvan u gewaagt in uw schrijven van den 10n dezer? Kon ik u zelf raad verschaffen, dat het mij ten strengste zou verboden zijn om openlijk partij te trekken voor iemand die vlakaf weigert te doen wat hem opgelegd wordt. Hoe dikwijls heb ik aan Bruyninckx en Van Praet, twee Antwerpsche wisselwachters, niet moeten zeggen, als we in Tweegrachten de vreemde vliegeniers in aantocht wisten: zoolang ík blijf, blijft ge ook!

Neem goed aan dat ik a priori V.C. niet wil veroordeelen. Ik houd me eenvoudig op defensief.

Niets schijnt gemakkelijker dan de uitspraak van een oordeel.: ”hij heeft gelijk of hij heeft ongelijk”. Maar voor wien het ingewikkelde kent van de menschelijke betrekkingen, voor wien het te doen staat alle elementen te beschouwen: ouderdom, familietoestand, bewezen diensten, uitgeschreven orders, te volgen bevelen, en voor wien daartusschen nog wil slingeren heel den gordel van de hoogere bestieringen: liefde voor den geboortegrond, geest van opoffering en toewijding, en wat dies meer; voor wien dat alles moet wikken en wegen, en voor wien feitelijk daarna langs den eenen of den anderen kant van de weegschaal den doorslag moet geven, ja voor hem is dat eene zaak vol “perijkel” – vergeef me dat zestiendeeuwsche bastaardwoord – ende ergernis.

Dus, mijn vriend Schoeters, ik blijf u liever het antwoord schuldig, omdat het me ditmaal aan elementen ontbreekt, en u weet heel wel, gansch mijn verleden is daar borg voor, ik spreek nooit van zaken die ik niet ken of niet heb kunnen bestudeeren.

Vergeeft u mij mijne oprechtheid? Zoo ja, wel dan zeg ik u eenvoudig dit: V.C. moet naar den Minister van Spoorwegen schrijven, aan dezen hoogwaardigheidsbekleeder heel de zaak van naaldeken tot dradeken uitleggen, en vragen om terug in dienst – à l’arrière – opgenomen te worden.

Dus, Albrecht, goed heil! Beste groetenissen, ook van mijne familie
En dito zooveel aan V.C.

Uw toegenegen,
T.B.