Afzender: John
Geadresseerde: Téles

Front, den 1 April 1918

Mijn allerbeste Téles,

In warmen dank uw briefje van 25.III.18 ontvangen, tevens het gevraagde cinémabriefje- zooals u ’t zoo luimig noemt- van vijftig frank.

Gisteren kwam mij een woord toe van zekeren heer Duval, pas te Parijs ontscheept komende van Brussel , alwaar hij vier maand geleefd heeft bij zijn kozijn, die de naaste buurman mijner ouders is. Hij heeft talrijke avonden bij moeder en vader doorgebracht en natuurlijk heeft hij mij belangwekkend nieuws over mijne lievelingen mede te deelen. Per keerende post heb ik aanstonds geantwoord, hun ’n bondig overzicht van mijn leventje deze laatste maanden gevend en nu ik hem verzekerd heb, dat hij wel werkelijk Langeleer zoon gevonden heeft (hij kende juist mijn naam en mijn regiment) verbeid ik met ongeduld zijn volgende brieven. Ik zal er u den ”Liebig” van overseinen.

Op ’t front, veel boulot, beste. Prachtige verkenningen gemaakt, deze laatste weken: namelijk tot een vliegtuig gekropen, in ‘t no mans land neergeschoten, op een honderd meter afstand van ’n Duitsche P.P. (petit poste). De papieren der vliegers- beiden reeds in staat van ontbinding hebben wij gevonden- zoodoend hunne eenzelvigheid bepalend en nauwkeurige inlichtingen inbrengend. Onze luitenant – een Sinjoor (John Van Der Ghucht) heeft ons geluk gewenscht, een lekkere sigaar geschonken (wij hadden genoeg stank in de neusgaten gekregen nabij de vliegeniers, om nu ook wel eens ’n bakje Havana damp te genieten) tevens laten verstaan dat het hoofdkwartier der Britten onze diensten zou beloonen- Natuurlijk komt daaral niet van, maar ’t is toch aangenaam vast te stellen, dat uwe naaste oversten uwe diensten naar waarde schatten, tevens oplettend voor u wezen. Nu, van dit standpunt uitgaand hebben wij een werkelijk en vader in onzen “ baard”, zooals wij oneerbiedig, maar niet zonder liefde, onzen luitenant heeten-

Beste Téles, het is nu reeds 2 april, want gisteren had ik mijn schrijven gestaakt daar ik weg moest op patroelje: het ging er op aan Duitsche schildwachten op te scheppen. Wij hebben malchance gehad- betrekkelijk. Ziehier waarom. Vijf onzer waren tot aan den pinnekensdraad der Moffen geraakt en sneden hem door op eene plaats tusschen in twee posten. Daar waren zij zinnens eene ronde af te wachten en mede te nemen. Maar den draad was nog niet gansch stuk of daar kwamen 2 man (denkelijk ’n officier en ’n soldaat, die zijn overste op ronde vergezelde) De officier had de eerste onzer mannen gezien en bukte zich om beter te kunnen te verkennen (dit gebeurde bij nachte , natuurlijk, vóór maansopgang) Mijn makker van achter den draad riep: ”Rendez- vous!”  Nein- nein! Antwoordde de ander – half sarcastisch . Tegelijk achteruit opspringend wapende hij zijn pistool en loste het schot. De kogel drong in den bil van mijn kameraad; deze eene granaat gedégoupilleert hebbend wierp ze op de beide vijanden, die natuurlijk meer dan dood moeten geweest hebben, mist de vier andere Belgen in den draad verdoken- revolver geweerschoten op de op eenige meter van hen verwijderde Duitschen gelost hadden- al deze ontploffingen hadden natuurlijk de argwaan der vijanden gewekt. Bougies vlogen ten hemel, mitrailleuren ratelden, andere schoten knalden in het no mans land! In goede orde kropen wij terug in onze linies, zonder verdere verliezen, ons bewegend onder den nachtelijken dekmantel- en ineenlopend met de klomperige- chaotische aarde bij bougieverlichting. Twee uur onbeweeglijk had ik met twee andere makkers op vijftig meter van ’n Duitsche schildwacht  voor zijn post gelegen, om eventueel een “sortie” der vijanden aldaar te beletten, en zoodoend onze mannen van een omsluitingspoging te verwittigen en te verijdelen- Beslijkt en doodvermoeid bereikten wij diezelfden nacht nog onze “cagne” toch tevreden over den uitslag: onze gewonde was maar licht geraakt en weer eens hadden wij den Pruis getoond dat de “petits Belges” toch ook durven en nog haar op de tanden hebben, malgré 3 ½ jaar oorlog! Ware ik begaafd prozaschrijver , ‘k waagde wel enkele novellen , aan beleefde novellen ….., onder titel: “Les drames du no mans land”, maar …. Beste… ‘k moet mijn geweer gaan poetsen en mijn broek gaan decrotteeren., anders kan ik Zondag niet eens naar den voetbal match in ’t dorp gaan kijken! –

Beste groeten aan Mevrouw en dikken kus aan Fen – Met herhaalden dank en warmsten klauw van,

Uw immer verkleefden,
John

P.S. Zooals u denkelijk weet zijn de permissions tijdelijk opgeschort ( gevechten in de Somme) binnen enkele dagen echter zullen zij heropend worden, volgens het zeggen. Ik verwittig u van mijne komst, want, naar Londen trekkend, heb ik zeker gelegenheid u te ontmoeten.