Afzender: A. Schoeters
Geadresseerde: Buyssens

Front den 10–4–18

Mijn waarde Heer Buyssens,

Vergeef mij U lastig te vallen, en u weder van uwe zou noodigen tijd te berooven, maar ziehier eene zaak van het allergrootsche gewicht, voor mij persoonlijk wel niet, doch belang ze me aan, of beter gezegd, ligt mij nauw aan ’t hart.

Bij mijne doortocht te Adinkerke, mijn vriend Lodewijk Van Cauwenbergh (oud weger uit de overdekte statie) gaan bezoeken, deelde deze mij een droevig nieuws mede: Verleden week over 8 dagen, kreeg hij bevel op eene plaats in de statie te gaan werken waar alleman wegliep, hij deed opmerken dat dit onder het voortdurend bombardement onmogelijk was, temeer daar den dienst deze noodzakelijkheid niet eischte, en hij zou gegaan hebben als dit ophield, bij den dienstoverste geroepen herhaalde hij zijne vorige verklaring, waarna men hem eenvoudig voor onbepaalden tijd buiten dienst stelde, Hem met nog een ander oude kennis Jules Hellemans van den zelfden vroegeren dienst behoorende.

Gij weet Mr welke innige vriendschap mij aan eerst genoemde verbind, sinds jaren, zoude hem dus volgaarne met raad en daad mijn bijstand verleenen, doch ik gelijk op het oogenblik als met verlamming geslagen, en weet waarlijk niet hoe draaien of keeren. Zonder U te compromitteeren natuurlijk, zou zoudt U mij groot genoegen doen, wildet gij mij raad verschaffen in deze zaak, welke ik dan op mijn beurt hem zou doen geworden. Ik stel volle vertrouwen in uw oordeel, zooals u weet, en kon uwen raad hem nuttig wezen, mijn dankbaarheid ware misschien zoo groot als de zijne zelf. Ik maak mij een juist denkbeeld van den mooilijken toestand waarin ik u plaats, Gij die van de geheele zaak niets afweet, ons een reddingsplank te moeten toewerpen!! Doch stel u gerust, hoe ondoeltreffend uw raad ook mag wezen, met achting aanvaarden wij hem.

Een droevig lastige zaak tog, dienstweigeraars te moeten trachten aan hunne rechtvaardige straf te ontrekken, maar wat wilt men er aan doen, ’t is het gevolg onzer verkeerde opleiding, vroeger maakte mij ik daar geen gewetensbezwaar van tegenwoordig misschien fijngevoeliger geworden ondanks mijn gruwelijke omgeving, stoot mij dit tegen de borst, maar! voor een vriend als Lodewijk zou ik misschien nog wel meer doen, alhoewel met afschuw.

Gelieve Mr wel mijn eerbiedige groeten aan, Mw en de kleine over te brengen; U zooals altijd bied ik mijn hoogste achting,

A. Schoeters