Zondag – Wat werd er door ons naar dien dag met ongeduld gewacht. Immers van dien datum was het ons veroorloofd onze winterprovisie patatten binnen te halen. Dan was het gedaan met waken, want de patattendieven schaamden zich niet meer zelfs bij dag hunnen provisie te komen opdoen.

Van 4 uren dus nogmaals op waak. Het wordt licht. Zal het weder meevallen? Zullen wij ze droog uitkrijgen? Het is anders twijfelachtig.

6 uren, wij zullen maar met goede moed beginnen. Zes stekers en vier rapers. Het zal toch nogal vooruit gaan.

8 uren. Het begint te gieten. Het zal er mede gedaan zijn voor vandaag. Maar toch, het klaart op en opnieuw aan ’t werk. Het wordt zelfs schoon weder. Een licht windje en een warm zonneken. De patatten kunnen goed drogen. De planters komen als uit den grond en een half uur later is het veld als in een mierennest herschapen. Met koortsachtige haast wordt er gewerkt, neen gezwoegd.

Na den middag wordt de polder nog aangepakt en voor het donker was, waren al de patatten uitgedaan en gezakt en ’s nachts om half twaalf was de laatste zak binnen. Maar wat waren wij allemaal afgemat, zelfs geradbraakt. Maar wij zijn voor onze moeite schoon geloond. Wij hebben een goeden oogst en een paar dagen rust zal die stijfte wel uit onze knoken halen. In elk geval: in gansch mijn leven ben ik nog niet zoo vermoeid geweest.