Teruggestuurd aan den heer Burgemeester met bericht dat, wegens den langen duur der Duitsche bezetting en de maatregelen door den bezetter genomen, den politiedienst in November 1918 ver van regelmatig was en zelfs mocht aanzien worden als ontredderd.

274  politiebedienden hadden bij t’begin van den oorlog het leger vervoegd en buiten dit waren in November 1918 een honderdtal plaatsen in het korps open.

De getalsterkte was op dit tijdstip 1006 en er waren dus voor den dienst 1006 – 274 – 100 = 632 manschappen.

Dit getal werd aangevuld met 148 tijdelijke agenten en 264 burgeragenten hetgeen de getalsterkte bracht op 632 + 148 + 264 = 1044.

Van dit getal dient afgerekend: 10 onwettig aanwezig sinds de beschieting, -14 in andere diensten (bevoorrading), 1 voortvluchtig, -4 in gevangenschap der duitschers, te zamen 29. Hetgeen de getalsterkte op 1015 bracht.

Tijdens de maanden October-November 1918 wwaren er gemiddeld 150 politiebedienden (vaste en tijdelijke)in ziekteverlof, daar te dien tijde de spaansche griep erg heerschte.

Er dient opgemerkt dat de burgeragenten zeer weinig ontzag onder de bevolking hadden en dat ook een groot aantal hunner in ziekverlof waren.

Indien men nu aanneemt dat, voor de woelige dagen van November 1918, de burgeragenten van weinig nut waren, bestond het korps in dei dagen slechts uit 1015 – 264 = 751 vaste en tijdelijke politiebedienden waarvan er dan 150 in ziekenverlof waren, ’t zij 601 man die alle diensten, klerken enz in begepen, dag en nacht moesten waarnemen.

Antwerpen, den 3 October 1922.

De hoofdcommissaris van de politie.