Na allerlei informaties ingewonnen te hebben trok ik ’s anderendaags met mama naar de Kommandantur, om te vragen waar papa was, eenen scout kwam ons kortweg melden: in de Begijnenstraat! Wij er naartoe. Wij stonden voor eene grijze tralie. Slechts een van de twee mocht door. Mama zegde: “Ga gij maar!” Ik vroeg aan den d.d. cipier, waar en voor hoelang papa zat, en of wij hem niet mochten bezoeken! Hij antwoordde, “geen bezoek de eerste maand, later bij biezondere toelating; maar hij is in de Predikheren Kazerne!” Daar het toen reeds middag was, moesten we naar huis, en mochten hem toch niet bezoeken.

’s Namiddags kwam men ons vertellen (ik geloof iemand van Slaets) dat er tegenover de Preekers kazerne eene herberg was, waar men tegen betaling, op ’t eerste mocht komen vanwaar men de gevangenen op de koer kon zag wandelen (en ze ook wel tekens kon doen) Er kwam daar ook een Duitschen soldaat, die pakjes aan de gevangenen bezorgde. Oom jef besloot er eens op uit te gaan. Hij kwam tot akkoord en ’s anderendaags, ’s Zondags morgens zou hij er na den middag met mama naar toe gaan.