’s Anderendaags dus gaat mama naar de Lambermontplaats, en daar vertelden ze dat oom Jef in de Kazerne zelf geweest was, en de boeken had nagezien, hij was er niet! –“Waar zou dien dan zijn?” – “Tien tegen een in Duitschland!!” – Ge kunt begrijpen hoe mama schrok, toen op hetzelfde ogenblik iets gebeurde.

Als mama hier tien minuten weg was kwam den heer G. De Hasque, bij ons aanbellen. Hij kwam met de complimenten van papa uit de Begijnenstraat. Marcel liep aanstonds tot bij oom Jef om mama te waarschuwen en viel daar juist op dat akelig ogenblik binnen.

Mijnheer G. De Hasque vertelde ons dan hoe het met papa gegaan was:

Hij had dus gedacht zich te kunnen verdedigen toen, hij met eenige anderen buiten gelaten werd. Hij vond zijnen weg niet meer en vroeg aan een schildwacht Hoe moet ik hier buiten geraken ? Hij zegde niets maar wees met zijn vinger naar ….. .. ’t Dievenkarke. Aanstonds op weg naar de Begijnenstraat. Bij ’t binnenkomen zegde hij tot de ciper: “ Zet mij eens bij nen deftigen mensch a.u.b.” Die scheen nogal inschikkelijk “Ja ja. Bij een Antwerpenaar zal ik U zetten! En bracht hem naar Mr De Hasque. Er was natuurlijk gauw kennis gemaakt en het huishouden ging opperbest tuschen die twee.  Daar Mr. De hasque nog niet definitief veroordeeld was kreeg hij eten van ’t Komiteit, papa niet. Ze deelden dus onder malkaar en speelden dambord voor hun verzet. Papa was echter niet te troosten, zoo vertelde Mr. De Hasque, hij verloor keer op keer. Nu heeft hij mij laten zeggen, als ik vrijgelaten werd dat gij dan maar zoudt betalen, want dat hij het geen drie dagen meer volhield. Maar Mr De Hasque zegde, was ik van U ik deed het niet. Ge zult zien binnen drie dagen is den oorlog gedaan. Hij vertelde ons dan dat er opstand onder de soldaten was losgebroken en dat ze niet meer wilden vechten.

’s Avonds was het juist toneelfeest in de Burgerkring (waar den opstand feitelijk uitgebroken was onder de daar legerende mariniers) Wij gingen er echter niet heen, opdat ons niets zou overkomen.

Nu begon het spel. Alhoewel wij op ‘t Zuid woonden hoorden we toch langs alle kanten geweerschoten. Om tien ure komt Oom Jef en tante Joséphine: “Is Piet nog niet thuis” en op ons ontkennend antwoord vertelden zij dat de mariniers de Begijnenstraat hadden open gezet en dat al de gevangenen weg waren.