Stad Antwerpen – Commissariaat van Politie, 9e wijk. Verslag.

Mijnheer de Commissaris,

Ik heb de uur U te berichten dat sinds eenige dagen men begonnen is, aan de petrolinrichtingen eene bewaarplaats op te richten van ontvlambare stoffen voor het Belgisch leger. Onder andere is men bezig 7500 ton naphta te lossen, dit maakt ongeveer 65.000 vaten. Niettegenstaande het verbod (verordening van 27-12-1899) wordt er door de soldaten in de onmiddelijke nabijheid vuur gemaakt en gerookt. de locomotieven overschrijden de plaatsen tot waar zij mogen rijden en op hunnen doortocht door de inrichtingen, laten zij gloeiende kolen vallen en vliegen vuur gensters uit de schouwen. De politie-agenten aldaar in dienst klagen dat bij de opmerkingen desaangaande gemaakt, zij afgewezen worden er zelf niet meer naar geluisterd wordt.

(…)

Gezien de overgroote aanwezigheid van licht ontvlambare stoffen, zou er dienen met bijzondere voorzichtigheid gehandeld moeten worden. Hetgeen voor het oogenblik juist het tegenovergesteld is. Ten einde groote rampen te voorkomen ware het wenschelijk dat de militaire overheid, op dien staat van zaken, opmerkzaam gemaakt werd ten einde de maatregelen voor te schrijven, of de bestaande te doen naleven.

Aanvaard mijnheer de Commissaris de uitdrukking mijner ware hoogachting.
Antwerpen, 12 januari 1919