Stad Antwerpen – Commissariaat van politie, 7e wijk.

Ten jare negentienhonderd en negentien, den veertienden maart.
Wij, Minne Livinius, d.d. adjunkt-commissaris van politie, gehecht aan de 7e wijk, ontvangen van onzen agent van politie, Luyten Frans, het volgende verslag in de vlaamsche taal:

“Heden den 14-3-1919, op post zijnde op n° 31 der dokken alwaar wagons staan geladen met kolen, werd ik den ganschen morgen lastig gevallen door dokschuimers,, die van de wagons kolen kwamen stelen. Ik heb ten minsten 30 zakken, die zij reeds met kolen gevuld hadden, moeten doorsnijden om te beletten dat zij er mede gingen vluchten. Verder vond ik nog tien zakken kolen, die zij moesten achterlaten, die ik zelf terug bij de partij gedragen heb en daarna de zakken doorgesneden heb. Het gelukte mij echter niet een dier schuimers te vatten. Rond 1 uur toen ik opnieuw de schuimers wegdreef (zij hadden alweer een groote partij klompen kolen van de wagons geworpen om ze mede te nemen) wierpen zij naar mij met keien en stukken kolen terwijl zij mij uitlachten omdat ik hen niet kon achterhalen. Ik dreef hen weg naar de Kempische brug. Op de brug gekomen wierpen zij opnieuw met steenen, mij uitlachende. Ik heb aldan twee revolverschoten in hunne richting in de lucht gelost om hen te verdrijven. De schildwacht in dienst op n° 34 had in den morgen ook een geweerschot gelost om den dokschuimers weg te jagen doch te vergeefs. Ik stond aan den andere kant va de Kempische dok als ik schoot op nummer 33. Het is bijna onmogelijk dat ik dit meisje getroffen heb die op n° 37 was. Ik heb omhoog geschoten. Mogelijk heeft de kogel door weerkaatsing op het een of ander voorwerp het meisje getroffen.”

Den 14-3-1919 om 1.25 ure verschijnt voor ons ten bureele Vervloese Adrienne, geboren te Heyst op den Berg den 24-2-1906 wonende Genuastraat n 22 en doet de volgende vlaamsche verklaring:

“Twee vriendinnen van Hendrickx Regina, hebben haar bij ons Genuastraat 22 binnengedragen, dewelke op n° 37 der dokken in den rug getroffen werd door een revolverschot.”

Wij doen onmiddellijk een onderzoek en onderhooren:

  • Hendrickx Regina, geboren te Antwerpen, 28-4-1905 en wonende Lange Veldstraat n° 49, doet de volgende verklaring in de Vlaamsche taal: “Ik ging met mijne vriendinne, De Lannoy en Heylaers, op n° 37 der dokken, rond 1 uur namiddag. Plotselings hoorden wij een revolverschot, kort daarna nog een. Ik werd getroffen in den rug. Mijne vriendinnen hebben mij naar de Genuestraat n° 22 geleid alwaar ik kon rusten. Ik denk dat den agent die aan den overkant der Kempische brug stond moet geschoten hebben op jongens die op eene wagon kolen hadden gestolen.”
    (Het meisje werd getroffen aan de rechterzijde van den rug, de kogel is langs voren terug uit gekomen. Zij werd met het krakenwagentje naar het Noorderverbandhuis overgebracht en na verpleging naar het Stuyvenberggasthuis waar zij gebleven is)

    (…)

  • Van overloop Maaris, geborten te Antwerpen 25-11-1902 en wonende Visserschkaai n° 9, schipper, verklaart in de Vlaamsche taal: “Ik zag den agent op n° 33 staan. Hij schoot in de hoogte in de richting van de drooge dok over n° 38 heen. De drie meisjes waren op n° 37. Ik denk dat de kogel op het een of ander hard voorwerp moet weerkaatst hebben om en der meisjes te treffen aangezien zij links van de richting naar waar den agent schoot bevonden. Ik wist niet of er een dier meisjes getroffen werd. Ik bevond mij insgelijks op n° 37.

    (…)

Van het bovenstaande hebben wij tegenwoordige akte opgesteld om aan den Heer burgemeester verzonden te worden.
Waarvan akte.